De Jongen #100 | Overleg op De Timp

Een lange stoet met wandelende mensen werden gevormd door familieleden van de familie Van Bunder. Ze liepen in zwarte mantels door de bossen van de Veluwezoom. In de verte brandde in een huisje een lichtje.  Eban liep met zijn hoofd naar beneden en hield de hand van Damara vast. Ze keken elkaar een keer aan en toen rende ze naar achteren, waar tante Haitske liep. Hij keek een keer op toen de stoet stopte. Athol, die achteraan liep, liep langs de familieleden naar voren toe en plukte de kinderen onder de 12 jaar eruit.

‘Kinderen, jullie wachten hier samen met mij. De rest gaat naar binnen. Iris en Isa hebben alles klaargemaakt.’ De meeste familieleden gingen naar binnen en namen plaats aan een grote tafel. Eban leunde voor het raam en keek wat er gebeurde. Zo te zien had Athol gezegd dat elkaar bij de hand moesten pakken. Athol zag Eban kijken door het raam, zwaaide een keer en werd toen, samen met alle kinderen, opgeslokt door de ring met een zuigend geluid. Toen de draaikolk met mensen buiten verdween, werd het binnen ineens een stuk warmer. Eban ging zitten en keek de tafel rond. Iedereen ouder dan 12 mocht blijven zitten, dat betekende dat het wel dramatisch was wat er besproken werd.

‘Familie, welkom!’ zei Iris toen ze van de krakkemikkige trap afkwam. Ze hield haar toverstok vast in de ene hand en klampte haar andere hand krampachtig vast aan de leuning. ‘Kom, laat mij uw helpen.’ zei Nyle, die al was opgesprongen om te helpen. Hij hielp Iris van de Timp naar beneden en zette haar in een stoel. Met een zwiep van haar toverstok kwamen er dansende fluitketels en glazen de tafel op. De 121-jarige heks schonk een kopje thee voor haarzelf in en viste drie suikerklontjes uit een schaaltje. De deur waaide open en Athol stond doorweekt in de deuropening. ‘Athol, ik begon me al af te vragen waar je bleef.’ zei Isa. Ze richtte haar toverstok op hem, sprak een spreuk uit en de kleren van de oude baas waren in één beweging droog. Hij schoof een stoel naar achteren, ging zitten en wachten geduldig op de vraag.

‘Waar zijn de kinderen?’ vroeg Orianna aan Athol. ‘Ah, ik wist dat die vraag zou komen.’ zei hij geamuseerd. Hij plukte een paar aan zijn baard, alsof hij nadacht. Terwijl iedereen wist dat hij zijn antwoord allang paraat had. ‘De kinderen zitten bij een oude collega van mij.’ zei de oude begrafenisondernemer. ‘En wie is dat dan?’ voegde Izaac zich toe aan het gevecht. ‘Sterre en Patrick de Wilde. Deze mensen zijn zeer professionele onderzoekers en bovendien hebben ze zelf ook drie kinderen. Dus de kinderen vermaken zich prima. Wanneer de beruchte avond begint, zullen de kinderen daar hun onderdak ook hebben.’ Iedereen was stil van dit antwoord. Ze hadden helemaal niet nagedacht over waar de kinderen zouden zijn met ‘het grote gevecht’, dat konden ze gewoonweg niet.

‘Over naar vandaag de dag. We hebben een probleem. Onze reporter heeft vanuit Spanje gezegd dat de Gemeenschap van Sant Pere Pescador de boel in de omgeving in de gaten houdt. Houd je ramen en deuren voldoende dicht. Ze houden iedereen in de gaten. Wat je doet, waar je bent en hoe je heet. Ze weten alles. Velasquez laat vallen installeren rondom Villa Veertig. Maar dat wil niet zeggen dat ze alleen daar zijn.’  ‘Hoe weet je dit allemaal?’ vroeg tante Haitske aan Isa. ‘We hebben een mannetje laten rondhuppelen rondom De Bunker.’ zei ze met een glimlach. De vraag is alleen wat wij gaan doen tijdens die avond.’ ‘Isa en ik zullen beschermende spreuken uitspreken over Villa Veertig. We hopen dat ze er dan minder makkelijk doorheen komen. We zijn alleen bang dat Velasquez niet zo bang is.’ ‘Daarom zullen we moeten vechten.’ Eban en anderen zuchtten even bij het horen van dat antwoord. ‘Waarom zullen we moeten vechten?’ vroeg Loup lomp. ‘Wil jij je ring houden of niet? Als Velasquez een slechte bui heeft, dan redden we het niet. Niet met zijn allen tenminste.’ Loup zweeg en dook naar achteren op zijn stoel. ‘Hebben jullie een plan?’ vroeg Eban.

‘Jazeker Eban.’ gaf Athol als reactie. ‘Met onze ringen kunnen we veel doen, maar we moeten niet vergeten wie we tegenover ons hebben staan. Daarom krijgt één ieder een pak aan. Net als met schermen, wat we voor de TV-serie hebben gedaan. Ook krijgt iedereen zijn eigen gebied aangewezen die hij of zij dient te beschermen.’ Dean knikte en een kaart van Villa Veertig verscheen als een blauwe gloed boven de tafel. Een soort blauwdruk vond de jongen altijd. ‘We zijn met ongeveer 35 personen als familieleden. Waarschijnlijk zijn we al met meer dan de Gemeenschap. Maar je weet het nooit met die Spanjaarden. Jullie zien allemaal verschillende kleuren stipjes. Elk stipje staat voor een persoon. Hierop kun je dus de plaats zien die we aan jouw hebben toegekend. We hebben een hele rijke fantasie, gebruik deze in combinatie met je ringen. Dan kun je echt ontiegelijk veel!’ Doodstil luisterde iedereen naar opa Dean. Niemand had wat te zeggen, het was al spannend genoeg. ‘Er gaat toch niemand dood?’ vroeg Izzy geschokt. ‘Nee, wij zijn vakkundig genoeg als familie om zo snel te kunnen handelen dat er niemand dood zal gaan, Izzy.’ zei Dean. Izzy knikte, maar ze zag er niet heel gerust uit. Ook niet heel erg uitgerust uit, trouwens, bedacht Eban zich. Izzy had wallen onder haar ogen en haar normaal blauwe, sprankelende ogen waren dof. Zou ze zich zorgen maken? Het gesprek van het overleg ging ondertussen gewoon verder, maar Eban kon zich niet meer zo goed concentreren. Wat zou er gebeuren als hij Camelia nooit meer zou zien. Daar wou hij eigenlijk niet meer aan denken. Hij keek toen maar naar links, naar Jaade, maar zij zag er al net zo gehavend uit. Haar donkerblonde haar had dode punten en haar groene ogen staken naar voren. Ook bij Jaade verschenen er wallen onder haar ogen en ze leek er een stuk magerder uit te zien. Hij pakte het dienblad met plakjes cake voor zich en hield het bij Jaade voor. Ze keek hem aan, pakte een plak en glimlachte. Eban kon niet meer glimlachen, niet deze dag tenminste.

Eban liet het dienblad vallen toen Athol’s telefoon ging. Hij nam op. ‘Met Athol van Bunder. Met wie spreek ik?’ Even klonk er gebabbel vanaf de andere kant, niemand wist nog wat er aan de hand was. De oude heer stond op en liep heen en weer door de kamer terwijl hij terugpraatte aan de telefoon. De familie keek verwachtingsvol naar hem toen er was opgehangen. ‘Is er iets gebeurd Athol?’ vroeg Belle. ‘Ja, dat mag je wel zeggen Belle.’ zei hij toen hij zijn handen op haar schouders legde. ‘Er zijn niet alleen dieren gezien bij de poorten van Villa Veertig.’ zei hij langzaam. ‘Je bedoelt dat Velasquez bij ons huis rondspookt?’ concludeerde Belle met een open mond. Ze keek achterom naar Athol en keek in zijn diepe blauwe ogen. ‘Nee Belle, ik denk niet dat het Velasquez zelf is. Maar ik denk wel dat er iemand van de Gemeenschap rond ons huis sluipt, lieveling.’ ‘Ze zijn gewoon aan het verkennen.’ zei Eban. ‘Dat is niet goed hoor.’ ‘Dat klopt als een bus Eban, maar ze mogen verkennen. Het is openbaar terrein. Als ze maar niet op het terrein zelf komen.’ ‘Daar ben ik het niet mee eens pap. Is het niet een idee om aan de binnenkant van het hek een muur te bouwen van platen waarmee ze ons niet kunnen zijn, maar wij wel naar buiten kunnen kijken?’ ‘Hé, dat is een goed idee Eban.’ zei oom Izaac vol enthousiasme. Zelfverzekerd keek de jongen naar buiten. Hij zag zijn moeder naar hem lachen door de reflectie van het raam. Hij lachte terug en stond op om naar huis te gaan.

De Jongen #100 | Overleg op  De Timp
Loading Likes...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *