De Jongen #103 | Uit de grond gestampt

Het ooit leegstaande grasveld achter de huizen van de Fabrieksestraatweg zijn afgelopen weekend opgevuld met noodlokalen van de Bosbouwschool. Eban schudde met zijn hoofd van ongeloof. Hij kon nog steeds niet beseffen dat een groot deel van zijn school was afgebrand. Hoe had dat kunnen gebeuren? En dat ook nog eens in Mechelstein. De mensen uit het dorpje snapten er ook helemaal niks van. Eban was totaal ontzet geweest toen ze het hem hadden verteld over de app. Hij kon het nog niet bevatten. Ilona kwam de kamer binnen met een dienblad en zette een bord met twee sneetjes brood op zijn bureau en een glas thee. ‘Je moet wel wat eten hoor lieverd.’ ‘Ja, mam.’ ‘En je gaat. Hoor je me? Je zult nog wel voor hetere vuren komen te staan.’ Eban zweeg en keek naar zijn bord. Hij had echt geen zin om te eten. ‘Eet.’ zei Ilona denigrerend en verliet toen ze de kamer.

De jongen keek naar zijn brood en hapte er een stuk vanaf. Niet te vreten, dacht hij. ‘Maar ik eet wel wat. Anders dan hoor ik mijn moeder al brommen met d’r gele jurk.’ Gele jurk, dat was wel echt een bijnaam voor Ilona. Een slokje thee, misschien zou dat kunnen. ‘Ah ah ah. Veel te warm.’ zei hij veels te luid. ‘Opschieten!’ zei Ilona luid toen ze op de overloop liep en hard op de deur bonsde. ‘Hoe laat is het dan?’ riep hij terug. ‘Bijna acht uur.’ Hij keek op de klok die achter hem hing. ‘Verrek.’ Ze heeft nog gelijk ook dacht hij.

Een kwartier later stapte Eban het nieuwe terrein van de Bosbouwschool op. Midden in het uitgestrekte groene grasveld stonden een paar kleine lokalen uitgestald. Hij had nog geen bekenden gezien. De jongen liep tussen de mensen door op zoek naar iemand die hij kon aanspreken. ‘Ah. Mevrouw. Kan ik uw wat vragen?’ ‘Goeiemorgen Eban. Hoe gaat het met jou? Tuurlijk mag je wat vragen. Ga je gang.’ zei mevrouw Emkhorst. ‘Dank u wel. Met mij gaat het goed.’ zei Eban, ook al zag hij wat witjes. ‘Weet u misschien waar ik moet zijn? Ik snap er niks van en overal staan mensen buiten. Beetje chaos.’ ‘Ik snap je volkomen Eban.’ zei Truus toen ze haar winterjas nog iets omhoog trok. Ze klapte een paar keer in haar handen en keek de aanwezigen rond. ‘Meneer Visser, mondje dicht!’ schalde ze over het terrein heen. De jongeman stopte prompt met praten. Het was stil. ‘Goedemorgen allemaal. Ik ben blij jullie allemaal weer heelhuids te kunnen zien. Ook fijn dat jullie allemaal nog net zo hard kunnen praten als voor de vakantie. Niet waar meneer Visser?’ zei ze met een dikke knipoog. ‘Ik en jullie andere docenten zullen jullie vandaag de weg wijzen over dit terrein. Jullie kunnen je verzamelen bij de docent die jullie als eerste hebben.’

Eban zigzagde weer tussen de mensen door en kwam toen Eline tegen. Ze gaven elkaar een hand en een dikke omhelzing volgde. ‘Welkom Eban.’ ‘Welkom Eban? Zo te zien kom jij net aan.’ ‘Ben je chagrijnig of ben je nog even grappig als altijd?’ vroeg ze. ‘Nog even grappig als altijd.’ antwoordde Eban en haalde zijn schouders op. ‘Meneer van Juffer.’ ‘Ja, wat is er met hem?’ vroeg Eban. ‘Hij staat daar. Moeten we niet naar hem toe? We hebben als eerste van hem les en we weten niet waar we moeten zijn.’ ‘Je was er dus wel? Ik had je niet gezien.’ Eline lachte een keer en nam hem bij de arm.

‘Welkom welkom! Treed binnen in mijn paleis.’ zei Feron vrolijk toen zijn klas hem achtervolgd had. In het kleine lokaal, dat wat verder weg stond van de rest, rook het naar vers gemaaid gras. ‘Dit weekend zijn er heel snel een aantal noodlokalen uit de grond gestampt. Zodat we toch onze lessen kunnen voortzetten. Het is een beetje mieren en martelen, maar we komen er wel uit.’ De klas wisselden blikken naar elkaar uit. Eban keek naar Eline, wipte zijn wenkbrauwen omhoog en rolde met zijn ogen. Dat zal nog wat worden, dacht hij. Eline hield een beker op en wenkte naar Eban. Hij begreep het. ‘Meneer, zouden wij nog wat te drinken kunnen krijgen?’ Van Juffer liep tussen de tafeltjes door en draaide aan de kraan. ‘Hij doet het niet.’ Feron begon te lachen. ‘Het water is nog niet aangesloten. Nu ik dit zo zeg, weet ik dat er bij de fietsenstalling een watertappunt is aangesloten.’ ‘Dat dacht ik al.’ zei Eline toen ze haar beker omhoog hees. ‘Mag ik dan even mijn beker vullen?’ ‘Tuurlijk mevrouw Van de Klomp.’ Eline stond op en liep het geïmproviseerde lokaal uit.

‘Lekker begin hoor. Een lokaal zonder water.’ begon Eban. ‘Is niet bepaald goed voor de mensheid hé. Vind u wel meneer?’ zei Steef. Cid haakte daar ook op in. ‘Ik vind het een beetje jammer. Wat moeten we nu drinken? Zelfs de dieren in het bos hebben meer dan wij.’ ‘Oehoe oehoe.’ maakte meneer Van Juffer een uilgeluid. ‘Geef ons en het externe team een beetje de tijd om dingen te organiseren. Het is voor iedereen even anders en we moeten allemaal zoeken. We krijgen hier echt wel water. Nou slaan we de boeken open en gaan we verder met waar we voor de vakantie aan waren begonnen.’ ‘Bij de ruïne hebben ze wel water.’ zei Steef. ‘Ja, waterschade.’ maakt Eban de grap af. ‘Kom op jongens. Boeken open en aan de slag!’

‘Meneer?’ vroeg Eban aan het einde van het uur. ‘Ja, Eban. Wat is er?’ ‘Dit is mijn laatste dag voor het je-weet-wel-wat.’ zei de jongen een beetje eigenzinnig. Féron knikte. ‘Oké, ik snap het. Gavin had het me al verteld.’ ‘Mijn vader? Al verteld?’ Eban was met stomheid geslagen. Hij wist niet dat ze elkaar de laatste tijd nog hadden gezien. ‘Ja. Hij heeft het al verteld.’ ‘Oké, oké. Tot binnenkort dan meneer Van Juffer.’ Feron liet een glimlach op zijn gezicht zien en zei: ‘Het gras wordt altijd groener als het weer geschoren is.’ Met die woorden gaven ze elkaar een hand en glipte Eban de deur uit.

De Jongen #103 | Uit de grond gestampt
Loading Likes...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *