De Jongen #106 – deel 1 | Gevecht om Villa Veertig

‘Nou daar zijn we dan.’ zei Gavin toen ze in de auto het terrein van Villa Veertig op reden. Boven de villa rezen donkere wolken  in torentjes op. Toen de auto geparkeerd was, liepen ze naar de dubbele voordeur toe. Voordat Ilona de deur openduwde, keken de drie elkaar een keer aan en knikten zachtjes. Ilona duwde de zware voordeuren open. Meteen werd duidelijk wat iedereen aan het doen was. De ene helft van de familie liep druk heen en weer door de immense villa en de andere helft lag half op de stoel onderuit gezakt. Toch heerste er geen ontspannen sfeer. Een beetje onrustig zelfs. De deuren en ramen zaten potdicht en Athol was nergens te bekennen.

Poef. Met een harde dreun verschenen Isa en Iris van de Timp, de bekende heksen uit de buurt. Eban liep serieus kijkend door de hal. ‘Zijn we daar dan eindelijk?’ zei de stem van Athol achter hen. Hij kwam met zijn wapperende zwarte mantel van de trap af en hield de deur nog open. ‘Athol. Fijn je zo te zien.’ ‘Om mij hoe te zien?’ vroeg hij. ‘Zo.’ antwoordde Iris. De wenkbrauwen van Athol gingen omhoog toen hij links een kamer in ging. Eban en de heksen haalden hun schouders op en liepen de familiekamer in. Dean stond op een stoel en tekende met zijn ring rode kruizen op een interactieve kaart. ‘Ah, Eban. Jij staat hier.’ De jongen en knikte en dacht, wat moet ik hiermee? Hij voelde heel sterk het gevoel dat hij terug naar huis moest. ‘Maar als ik thuis ben, dan wil ik hier weer heen. Dat weet ik zeker.’ zei hij tegen zichzelf. Eban luisterde afwezig naar opa Dean. Af en toe kwamen er wat woorden langs als samenwerken, ringen, kracht en schermen. Maar meer kreeg hij niet echt mee.

De middag kwam op 16 januari een stuk vroeger aanwaaien dan gedacht. Buiten was het nog stil. Er was nog niemand te zien. Of toch wel? ‘Hé, wie komt daar aan?’ vroeg Eban die een raam had opengezet om toch wat frisse lucht te krijgen. Pello kwam naast hem staan en keek met hem mee. Ik kan door de bomen niet zo goed zien wie het zijn, maar ik hoor zeker wel veel mensen.’ ‘Ik hoor ze ook.’ ‘Is er iets jongens?’ vroeg oma Jade toen ze Pello had zien wijzen. ‘Er komen mensen aan oma.’ had hij toen gezegd. ‘Hé, volgens mij ken ik die twee mannen.’ zei Gavin toen hij erbij was komen staan. ‘Wie zijn dat dan papa?’ vroeg de jongen. De twee mannen zwaaiden uitbundig. ‘Dat zijn Feron en Fardi.’ ‘Feron en Fardi?’ zei Jade. ‘Ik heb Fardi vrij gegeven en gezegd dat hij niet mocht komen! Verdorie nog aan toe!’ ‘Rustig ma.’ zei Gavin. ‘Laten we de poort maar open doen.’ Ondertussen was het nieuws heel Villa Veertig doorgegaan en waren Eban, Gavin, Pello en Jade niet de eersten bij de poort. Belle van Bunder had de poort zelf opengedaan. ‘Welkom. Welkom!’ Tranen van geluk stonden er in haar ogen. Allemaal vrienden die de familie kwamen helpen. Eban herkende er ook een paar mensen tussen. Als eerste natuurlijk Fardi en Feron, maar ook andere docenten van zijn school, zoals Trudy en Diederik. Ook een paar vrienden van zijn vader, die regelmatig over de vloer kwamen, waren aangeschoven in de rij.

Eban’s ogen schoten vol toen hij een meisje zag lopen met dezelfde felle blonde haren als Camelia. De mensen stroomden langzaam het terrein van Villa Veertig op. Tussen het laatste groepje dat binnenkwam, zag hij haar, samen met haar vader. Camelia en Garman kwamen omarmd naar hem toegelopen, alsof dit al het einde was. ‘Hé, lieve schat.’ zei Camelia en wilde Eban een kus geven. Hij had haar afgeschud. ‘Wat kom je doen?’ vroeg hij boos. De wenkbrauwen van Eban waren duidelijk naar beneden afgesteld. ‘Ik kom je helpen.’ ‘Nee, dat wil ik niet. Je moet terug naar huis gaan. Camelia, nu.’ In de blauwe ogen van Camelia verschenen tranen, ze draaide zich prompt om en stapte richting het hek dat dicht ging. Voor een dicht hek stond ze te huilen. ‘Het is goed lieve schat.’

‘Wat zijn dat? Sinaasappels?’ Jaade van Louisa keek naar het hek. Verbaasd als dat ze was, draaide ze een rondje en zag op het hek van het terrein sinaasappels oppoppen. Pop. Daar kwam er weer één. Pop. Een meter verder verscheen er nog een sinaasappel  op het hek. De mensen die buiten waren, zagen het ook gebeuren. Het hele hek werd een soort van omsingeld door sinaasappels. De meeste mensen snapten er helemaal niks van. Totdat Eban hardop begon na te denken.  ‘Sinaasappels. Appeltjes van oranje. Sinterklaas. Sinterklaas komt uit Spanje. Spanje! Ze komen!’ ‘Ze komen!’ ‘Ze komen!’ Het ging weer als een vuurtje rond door Villa Veertig. Mensen schreeuwden elkaar toe terwijl Dean, Esteban, Feodor en Gervaise op hoge krukken stonden zodat ze mensen bevelen konden geven.

Snel werden mensen op hun posten gezet en zochten ze naar materialen om te gebruiken. Ondertussen was het al bijna donker. Eban speelde wat met zijn vingers en Camelia keek om zich heen. Iedereen had een wit schermerspak aangetrokken. Wat er van bovenaf best leuk uit zou zien, bedacht Eban. De jongen keek opzij naar Camelia en glimlachte vertrouwd; ‘Ik houd van je.’ zei hij zachtjes, zodat de anderen het niet zouden horen. ‘Ik houd ook van jou.’ Ze vlogen nog snel even in elkaars armen voor een dikke knuffel en dit keer gaf Camelia Eban een dikke zoen. Hun lippen raakten elkaar. De rode lippenstift van Camelia gaf wat af. Daar moest ze wel even op lachen, want Eban probeerde verwoed de lippenstift van zijn lippen af te krijgen, wat hem ook wel lukte. Maar nu zag zijn hele schermersvest rood. Camelia moest lachen en schrok toen de lampen om hen heen aangingen.

16:58

Het felle licht scheen over het donkere terrein van Villa Veertig. Het leek een stuk vlotter donker te worden dan normaal in de winter. Opeens werd het doodstil. Niemand wist wat er ging gebeuren, maar ze hadden wel een vermoeden. De achterpoort kreeg een flinke schok te verduren. Een lichtblauwe flits verlichtte het bos, door de platen kon je wel zien dat er iemand voor het hek stond. Een erg bleke man met gele, bijna witte ogen stond voor de poort te wachten.

17:00

BAM! De achterpoort viel met een klap voorover. Alsof er een kaartenhuis instortte. Triljoenen kleine spinnetjes beklommen de heuvel op. Mensen trapten verwoed op de kleine beestjes, zodat ze niet meer keken wat er verder gebeurde. Pello stond rustig tussen de kleine beestjes. Alsof er niets aan de hand was. Hij vroeg zich wel iets af, waardoor hij om zich heen begon te kijken. Waar was zijn betovergrootvader Athol? Had hij zich verstopt? Zo laf was hij nou toch ook weer niet?

17:13

Dean stond op zijn kruk bevelen te geven. ‘Ze komen eraan! Ik zie ze al!’ En opa Dean had inderdaad gelijk. Door de poort schoven enkele oude bekenden van Eban. Chico en Felip kwamen als eerste met fakkels het terrein opgelopen. Achter hen kamen Manel, Enrique, Hugo, Viçenc, Raúl. Miquel, Jaume, Josep en Íñigo, Gregorio en Gonçal sloten de rij af. Dertien mensen dus in totaal, dacht Eban. ‘Moet te doen zijn. Wij zijn met veel meer.’ zei Eban tegen Camelia die een eindje verder was gaan staan. Die Spanjaarden keken een beetje dom voor zich uit. Het leek wel of ze dit niet hadden verwacht. ‘Fire.’ zei een bekende doordringende stem. Met zijn dertienen stormden ze het terrein op. Geschreeuw klonk. Manel zag Eban het eerste en rende op hem af. Camelia keek met grote ogen toe hoe Manel Eban omver wierp. ‘You have to go this evening.’ zei hij in zijn gezicht, waar een beetje spuug bij mee kwam. Eban werd kwaad en wierp Manel van hem af. Hij ging bovenop hem zitten en stompte een keer in zijn maag.

Gevecht om Villa Veertig
Deel 1
Loading Likes...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *