De Jongen #73 | De praktijkdag

‘Goedemorgen.’ zei Feron toen alle leerlingen op dinsdagochtend vroeg bij de circustent stonden. ‘Goedemorgen meneer Van Juffer.’ Klonk er vanuit de studenten. De docent moest lachen. ‘Wat een klas, wat een klas.’ Er klonk gelach vanuit de klas. De meeste leerlingen stonden met hun handen in hun zakken en de vier meiden die mee waren op reis, hadden hun zonnebril opgezet en woelden met hun handen door het haar. ‘Ik wil jullie voorstellen aan de docenten die deze week mee zijn. Voor het geval jullie elkaar gisteravond nog niet hebben gesproken. Truus Emkhorst, Diederik Derksen, Rob van Spécie, Jasper Stone en Nelson Smithers. Nu snel jullie boskleren en schoenen aan en gaan!’

Een halfuurtje later tuterde de bus en verliet het dorp. ‘Hee Eban, heb je al naar huis gebeld om te zeggen dat je bent aangekomen?’ vroeg Eline. ‘Oh shit, helemaal vergeten. Goed dat je het zegt.’ Eban schrok op en pakte zijn telefoon. ‘Even snel een berichtje sturen. Ze hebben mij ook gemist zie ik. Tien gemiste oproepen en een aantal berichtjes.’ Eban liet zijn telefoon zien aan Eline en ze begon te glimlachen. ‘Stuur nou maar een berichtje terug.’ Hee mam, ik ben allang in Spanje, was vergeten berichtje te sturen. Nu onderweg naar het bos voor praktijkopdracht. Tot vrijdag xx. ‘Gedaan.’ zei de jongen en hij keek Eline verlegen aan. Eline moest lachen. ‘Kijk niet zo.’ ‘Sorry.’ ‘Je telefoon gaat af jongen.’ zei Cid die naast hem zat aan de andere kant van het gangpad. ‘Oeh.’ ‘Goh, ook is een keer een snelle reactie van die moeder.’ zei Eban. ‘Hé en nog een berichtje, van Camelia!’ Hee darling, I hope dat je het leuk hebt daar. Nog veel plezier en stuur je me straks nog een berichtje back? xx Camelia.

De bus reed zachter en stopte op een verlaten zijweggetje. Het zijweggetje was met kleine steentjes bestrooid en de studenten en docenten kwamen de bus uit en verzamelden daar aan de rand van het bos. ‘We gaan zo het bos in met wat zagen en snijders, etc. Graag er zorgvuldig mee omgaan.’ ‘Ja, meneer.’ ‘Zagen zagen, wiedewiedewagen. Eban kwam thuis om tante Kaelyn door te zagen.’ zong Eban vrolijk terwijl ze het bospaadje op liepen. ‘Wie is tante Kaelyn?’ vroeg Steef aan Eban. ‘Tante Kaelyn is m’n tante.’ zei Eban sarcastisch. Stiekem moest hij toch wel grinniken om zijn eigen grap.

‘Ik hak hier en jij hakt daar. Zo hakken we het hele bos uit elkaar.’ De jongen begon weer opnieuw te zingen, tot grote vreugde van de anderen. ‘Kun je alsjeblieft ophouden Eban.’ vroeg Anne geïrriteerd. ‘Ach, laat die jongen lekker zingen. Heeft hij nog wat te doen’, zei Cid. ‘En van het zonnetje wordt je lekker vrolijk.’ plakte Eline eraan vast. ‘Ach, werk toch lekker door.’ reageerde Anne geïrriteerd. ‘Ik zie dat jij nog niet veel hebt gedaan hoor.’ Anne gromde een keer binnensmonds en ging toen verder met het omhakken van de lage begroeiing, zoals struiken en onkruid. ‘Waarom is het belangrijk dat dit wordt omgehakt?’ vroeg mevrouw Emkhorst. ‘Om de begroeiing zo laag mogelijk te houden en het onkruid geen kans te geven.’ zei Pepijn, vanaf een ander stukje bos een eindje verderop. ‘Heel goed Pepijn. Anders overwoekerd alles en dat willen ze niet in dit gebied. Houd maar een beetje lager bij de grond Eban, dan kun je meer weghakken.’ zei Truus en ze verbeterde Eban’s greep aan het lemmet.

Een half uurtje later was de jongen iets verderop begonnen met het omhakken van een aantal struiken. Hij hakte nog even door en was moe. Hij ging zitten op een boomstronk en luisterde aandachtig naar iets wat hij niet kon plaatsen. Gehijg klonk vanachter de bomen en Eban’s ogen verstarden en groeiden bijna uit zijn hoofd. Zijn hersenen gingen ratelen. Wat was dat? Langzaam stond de jongen op en schuifelde voetje voor voetje naar achter. Het wezen zag Eban en sperde ook zijn ogen verder open. Zijn felblauwe ogen vielen wel op, evenals zijn zwarte haar, dat zijn hele lichaam bedekte. Maat 49 stampte op Eban af en liet de grond dreunen. De grond trilde onder zijn voeten en Eban bleef staan. Hij was zo aan de grond genageld dat hij het geval op hem af liet komen. Op vijf meter van de jongen bleef de batatut staan. Zijn hoektanden stonden gevaarlijk uit zijn mond en zijn ogen bleven gefascineerd met een twinkeling naar Eban kijken.

Een vliegje vloog langs de jongen en haalde hem uit zijn trance. ‘Oh ja.’ zei Eban verbaasd en bekeek het wezen nog een keer. Hij rende de andere kant op en belandde dieper het bos. Het zonnetje scheen tussen de bomen door en het was heel erg licht. De batatut kwam zijn kant op gelopen en ging tussen een paar struiken zitten. ‘Help!’ schreeuwde Eban een keer. De kwade ogen van het wezen keken direct zijn kant op en even later zag Eban een boomstronk van ongeveer 15 centimeter dik zijn kant op komen. ‘Mis.’ zei Eban en hij lachte. De jongen ging zitten en wachtte, maar de batatut bleef zitten.

Een uur later klonken er stemmen van ver. ‘Eban, waar ben je?’ klonk er opeens een stem van dichtbij. ‘God, waar is die nou?’ zei de stem van Truus. ‘Wat is dat?’ zei Eline verontwaardigd toen ze Eban had zien zitten op een boomstronk. De batatut was opgestaan, hij was zo een twee meter lang en was voor vrijwel iedereen goed zichtbaar. Hij schuifelde naar achteren en verdween tussen de bossen. Ondertussen waren de anderen ook naast de jongen komen staan en keken allemaal de batatut na, die weer verder het bos in kroop. ‘Kom op dames en heren. Terug naar de bus!’

‘Hebben jullie er één gezien?’ vroeg Feron. ‘Een echte batatut?’ ‘Ja het was een echte. Een bosman met zwarte haren en felblauwe ogen.’ ‘Heb je een foto gemaakt Eban?’ ‘Nee, hij was angstaanjagend en vies. Blij dat ik daarmee niet in bed lig.’ ‘Zou je wel met mij in bed willen liggen?’ vroeg Pepijn lachend. ‘Nee, natuurlijk niet.’ antwoordde Eline ineens serieus. ‘Wat een gekwebbel.’ zei Anne, die vanachter een boom vandaan kwam. ‘Laten we de bus ingaan.’ zei de jongen.

Die avond zaten alle 18 studenten en zes docenten in de grote tent. ‘Food!’ zei Pepijn en Steef bonkte met zijn vuisten op de tafel. ‘Rustig.’ zei Feron. ‘Je krijgt heus wel.” Graag iedereen langs het buffet komen. Het buffet is geopend.’ zei Truus. Pepijn en Steef stonden als eerste op en stootten de tafel om. Wat ervoor zorgde dat Eban al het drinken uit zijn extra grote glas over zich heen kreeg. Eline, die naast hem zat, kreeg een even groot glas over zich heen, vol met rode wijn, wat vlekken maakte in haar witte T-shirt. ‘Pepijn!’ riep Eline heel hard door de tent. ‘Sorry.’ zei Pepijn, die naar het buffet was gelopen. ‘En wat sta jij dom te lachen, trut.’ sneerde Eline naar het hoofd van Anne toe.

Eline en Eban stonden op en gingen naar het huisje toe waar ze verbleven. ‘Ik word echt gek van haar. Ze zit de hele tijd achter me aan te lachen en als jij het dan ziet, dan doet ze zo bitter.’ ‘Ze is gewoon jaloers dat het tussen ons wel klikt en tussen jou en Anne niet.’ antwoordde Eline. ‘Het zou tussen mij en haar ook klikken als ze me niet leuk zou vinden. Het is heel vervelend als iemand steeds achter je aanloopt hoor.’ ‘Ik weet het Eban, maar ze vindt je gewoon leuk. Ik ga me even omkleden.’ zei Eline en liep langs de jongen en knipoogde een keer. Eban ging naar zijn kamer en haalde uit zijn koffer een ander shirtje en stopte het vieze shirtje in een plastic tas. De jongen plofte op bed neer en viel in slaap.

Loading Likes...

1 Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *